Overweging 14 en 15 september 2013

Overweging 14 en 15 september 2013

 

Uitgaande van de lezingen:

Exodus 32, 7-11, 13-14

1 Timoteüs 1, 12-17

Lucas 15, 1-10

Een paar hoofdstukken terug in het evangelie volgens Lucas staat: “Zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden open gedaan”.

In de parabels van het evangelie van vandaag laat Jezus ons dit zien. De schapen zijn in de wildernis en er is er één zoek geraakt. De herder zoekt en vindt het verloren schaap. Vol vreugde keert hij terug en roept buren en vrienden bij elkaar om het te vieren.

Zo ook de vrouw die één zilverstuk verliest, een tiende van al wat zij bezit. Ze zoekt met alle middelen die ze heeft. En als ze het zilverstuk gevonden heeft, roept ze buren en vriendinnen bijeen om het te vieren.

Het thema van deze viering is : De kunst van het vinden. Waar zit ’m nu die kunst in? In het zoeken? In het vinden? Of zit de kunst in de vreugde om het vinden?

De kunst van het vinden is primair het zoeken. In hoofdstuk 11 van Lucas hebben we het al geleerd: “Zoekt en gij zult vinden”.

Maar ook een kunst is het om na het vinden je vreugde te delen met anderen. De kunst van het vinden is de kunst van het zoeken en van het vieren; het scharnier daartussen is het vinden.

Jezus vertelt deze parabels vanwege het gemor van de farizeeën en de schriftgeleerden. Die waren ontevreden over het gedrag van Jezus omdat hij om ging met tollenaars en zondaars, mensen die zich anders gedroegen dan in hun gemeenschap algemeen aanvaard was. Jezus laat in deze parabels zien dat wie zich door Hem laat vinden, met vreugde wordt ontvangen en in de gemeenschap wordt opgenomen.

Ook in de tegenwoordige tijd komt het voor dat mensen niet geaccepteerd worden omdat ze anders zijn. In de krant kunnen we hier bijna dagelijks over lezen; het woord “discriminatie” komen we regelmatig tegen.

Het gaat daarbij om bevolkingsgroepen, geaardheid, baldadige jongeren of gewoon omdat men anders is. In het evangelie is het omschreven als “tollenaars en zondaars van allerlei slag”. Deze tollenaars en zondaars zijn tot Jezus gekomen om naar Hem te luisteren.

Ze zijn hierdoor open om zich door Hem te laten vinden en Jezus zoekt hen, en met zijn woorden slaagt hij erin om vooral hun hart te vinden. Dat leidt tot vreugde bij God, al is het maar om één zondaar die zich bekeert.

In onze eerste lezing zien we een heel volk dat dolende is. Ze zijn onderweg van Egypte naar het beloofde land. Hun leidsman, Mozes, zijn ze even kwijt, want die heeft de stilte gezocht op de berg, om daar in gesprek te gaan met God. Ondertussen is het volk de koers kwijt geraakt; ze maken de verkeerde keuzes; ze creëren voor zichzelf zelfs een nieuwe god, de afbeelding van een stier.

In de lezing zien we dat God boos is en overweegt zich af te wenden van het volk, maar Mozes laat zien een echte herder te zijn en een leidsman. Hij komt op overtuigende wijze op voor het volk dat aan hem is toevertrouwd. Hij komt bij God terug op de uitgangspunten waarmee het volk op weg is gegaan naar het land dat God beloofd heeft. Hij laat, door zijn gebed, God het volk weer vinden en het volk God weer vinden, wederzijds.

Het onheil is afgewend, God toont zich een barmhartige God; het volk kan weer verder op weg naar het beloofde land, in vreugde.

De kunst van het vinden. Verstaan wij die kunst ook?

Het is ook aan ons om te zoeken, te zoeken naar de mens, te zoeken in de mens. Hebben we oog voor de mensen om ons heen? Zien we iedere mens een kind van God?

In onze parochie is een aantal mensen, die regelmatig bij anderen op bezoek gaan, die gesprekken voeren om te horen hoe met iemand gaat. Ze zoeken en vinden de medemens tegenover zich, voor zover die medemens zich wil laten vinden. Vreugde is er in deze gesprekken zeker.

En wat doen wij? Voor ieder van ons geldt die vraag, zoeken wij naar het wezen in onze medemens of oordelen we naar de buitenkant, naar wat we zien?

God vraagt van ons, om te zoeken naar de binnenkant bij onze medemens. Het is een kunst om die te vinden, maar evenzeer de moeite waard om je medemens ten volle te leren kennen. Het is de vreugde van het vinden, om je medemens te zien met andere ogen.

Ook in Amsterdam, toch bij ons om de hoek, verdienen mensen aandacht. In de achterstandswijken hebben veel jongeren problemen. Werkeloosheid en criminaliteit, mede gevoed door discriminatie, zijn daar uitingen van. In een nieuwe aanpak worden deze probleemjongeren gezocht en gevonden door jeugdwerkers en buurtgenoten, die belangstelling hebben voor hun problemen, voor hun verhaal.

Dat kan alleen als zij zich ook willen laten vinden. Deze ontwikkeling stelt hen in staat om met een andere blik naar de maatschappij en naar de toekomst te kijken.

Het lukt niet voor iedereen, maar er is hoop en het brengt vreugde.

Spreken we hier over de kunst van het vinden? Ik denk zeker van wel.

Ook Jezus heeft zo een mens gezien, Paulus. Paulus tekent zichzelf af als een godslasteraar, een vervolger en geweldenaar.

In onze tweede lezing laat hij ons zijn vreugde zien, zijn dankbaarheid om de barmhartigheid die hem is overkomen.

Hij ziet zichzelf als eerste mens, die vanuit een zondige situatie, door Jezus wordt gevonden en gekend en aanvaard. Paulus van zijn kant heeft Jezus gevonden en is overtuigd geraakt.

Heel deze lezing is een lofzang op de barmhartige God; de vreugde spat er vanaf.

Zijn ook wij in staat om deze kunst van het vinden toe te passen, te zoeken en te vinden, de barmhartigheid van God te erkennen en deze in vreugde te beleven?

God zoekt ons, dus moeten wij zoeken naar God in mensen   of … door mensen God vinden.