11 december 2022, 3e zondag vd Advent

3e zondag van de Advent (A) 11.12 22

Jesaja 35,1-6a.10; Jocobus 5, 7-10; Mat. 11, 2-11

We hoorden in de eerste lezing het visioen van Jesaja. Je moet maar durven. Je bent verdreven uit je eigen land, gevangene van een vijandig regiem. En midden in deze ballingschap schetst de profeet een hoopvolle toekomst. De woestijn zal gaan bloeien, blinden zullen gaan zien, doven horen. Het lijkt wel het paradijs op aarde. Dat zouden we ook wel willen. Oorlog voorbij, gerechtigheid voor een ieder. Maar wanneer gaat dat dan gebeuren? En wat is ervoor nodig, dat het zover komt? Misschien geeft het evangelie ons hierop een antwoord.

Hierin is een andere profeet aan het woord: “Ben jij het of moeten we een ander verwachten? Ben jij de Messias van wie we heil, redding kunnen verwachten?” Johannes de Doper stelt vandaag een vraag aan Jezus die misschien soms ook wel onze vraag is. Ben jij, Jezus, degene aan wie we ons in deze tijd nog kunnen en willen vasthouden? Of ben je misschien achterhaald, zoals velen beweren? Wat heb je ons nog te bieden? Pas je nog wel in onze moderne samenleving? En in mijn persoonlijk leven? Ik ben al zo dikwijls teleurgesteld.

Elke generatie en elke mens afzonderlijk moet zijn eigen antwoord vinden op de vraag waar en bij wie hij het heil, het levensgeluk kan vinden. In de tijd van Jezus waren er joden die hoopten op een soort redder, een Messias die het volk zou bevrijden van zijn vijanden. Ook Johannes had hierover uitgesproken verwachtingen. Het zou een krachtfiguur zijn, die met de wan in de hand het kaf van het koren zou scheiden en het kwaad bij de wortel zou aanpakken en uitroeien. En Johannes had Jezus aangewezen als die verwachte redder.

Maar nu Johannes in de gevangenis zit, hoort hij verhalen die hem doen twijfelen. Jezus beantwoordt niet aan zijn verwachtingen. Hij is te soft. In de ogen van Johannes dient de Messias een sterke man en een strenge rechter te zijn. Iemand wellicht die zich keert tegen de bestaande orde, die zich terugtrekt in de woestijn, en vandaar uit met een gesel gewapend boetepreken houdt, zoals Johannes zelf deed. Maar over Jezus hoort Johannes andere verhalen. Hij zou omgaan met zondaars, aanzitten bij vrolijke maaltijden, en zijn leerlingen zouden niet vasten zoals Johannes’ eigen volgelingen.

Zoals Johannes teleurgesteld was in Jezus, zo zijn ook wij vaak teleurgesteld in God. Waarom kan Hij niet ingrijpen en al die rampen in de wereld en in ons eigen leven voorkomen? Wat hebben we nu aan zo’n God, die niet thuis geeft als we Hem zo hard nodig hebben? Onze godsbeelden en verwachtingen worden aan gruzelementen geslagen in de beleving van alle dag.

Maar wat mogen we dan wel verwachten in de aanloop naar Kerstmis en wat kan ons werkelijk hoop geven in donkere dagen? Jezus zegt tegen de leerlingen van Johannes: Kijk goed wat er gebeurt: blinden zien, lammen lopen, mensen worden genezen en weer tot leven gebracht. Zijn dat niet de tekens die er volgens Jesaja op wijzen dat het Rijk Gods nabij komt? Waar Jezus komt, gaan mensen open en komen ze tot leven (Zegveld).

Jesaja is de profeet van de hoop. Waar wij alleen maar droog woestijnland zien, voorspelt Jesaja dat de woestijn zal gaan bloeien en de wereld zal veranderen. Hij roept ons op anders te gaan zien (met de ogen van God) en vervolgens de handen uit de mouwen te steken. We mogen aan de armen en verdrukten een blijde boodschap verkondigen en deze zo goed mogelijk waarmaken.

Jezus zegt tegen Johannes: erger je niet aan mij, erger je niet aan het feit dat ik anders ben dan jij gedacht had. Johannes moet het minder zoeken in de sterke man, maar meer in de richting van een innerlijke bevrijding van de mens. De Messias vraagt om een werkelijk omzien naar elkaar, een ommezwaai van egoïsme naar onbaatzuchtige liefde. Het klinkt eenvoudig, maar wij doen er een leven lang over.

God beantwoordt vaak niet aan onze verwachtingen. Hij is niet de krachtfiguur die al onze problemen oplost. Hij roept ons wel op te zorgen voor vrede en gerechtigheid voor allen. Hij nodigt ons uit elkaar te vergeven. Hij komt ons tegemoet in onze naasten die een beroep op ons doen. De mens naast je zien als ‘beeld van God zelf’, zegt paus Franciscus. Maar ook andersom: misschien bent u, vandaag, voor sommigen in uw omgeving wel de enige persoon, in wie zij iets van Jezus mogen ontmoeten.

Jezus noemt Johannes een groot profeet, maar tegelijk de kleinste in het koninkrijk van God. Waarom is dat? Misschien heeft dat ermee te maken dat Johannes die andere visie op de Messias zo moeilijk kon accepteren? We kunnen ons dat zo goed voorstellen. Het is moeilijk te aanvaarden dat we God juist moeten zoeken in het kleine, het kwetsbare.

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben, zegt Jesaja. Dan gaan de ogen van de blinden weer open en zullen de oren van de doven geopend worden”.

Mensen zoeken naar hoop, ergens over de horizon. Is Jezus degene op wie de wereld zit te wachten? Zal Hij op weg naar Kerstmis onze moedeloosheid doorbreken en gaat de woestijn weer bloeien in ons leven?

Dat zal mede afhangen van ons zelf. Als wij geen aanstoot nemen aan de eenvoudige manier waarop Hij bij ons komt, als wij onze ogen en oren niet sluiten voor het leed van de buurvrouw of dat van de vluchteling, ja dan kan er met Kerstmis iets bijzonders gebeuren in deze wereld. Dan kunnen wij meewerken om het visioen van Jesaja in vervulling te brengen. Waar verdrukte mensen tot leven komen, daar gebeurt het, daar begint Gods Koninkrijk door te breken. Daar komt de schepping tot bloei. Laten we in die geest op weg gaan naar Kerstmis. Amen.

PLK