24 april 2022, Achter gesloten ramen

ACHTER GESLOTEN DEUREN EN RAMEN

Zondag 24 april 2022 -  2e zondag van Pasen – A

Lezingen: Handelingen 5:12-16 en Apokalyps 1:19-11a+12-13+17-19 en Johannes 20:19-31

In het evangelie van vandaag zijn de deuren van de apostelen gesloten. De ramen waar­schijnlijk ook. Misschien waren zelfs de luiken dichtgeslagen. Ze zaten praktisch in het donker. Ze praatten niet veel, en als ze dat deden, fluisterden ze. We weten niet met hoeveel ze waren. Dat staat er niet. Waren ze maar met z'n tienen? Misschien zaten er wel meer leerlingen daar samen te schuilen. Ze waren niet meer compleet.

Thomas bijvoorbeeld was er niet eens bij, en dat van ‘die ramen en die luiken’ staat niet in het evangelie. Maar het wordt door de tekst gesuggereerd. Paranoïde waren ze wel, ze waren erg bang. En Johannes schrijft vooral dat ze bang waren van de joden. Bij Lucas bijvoorbeeld (24:37) zijn ze – zelfs als Hij aan hen verschijnt - doodsbang. Zij hadden trouwens een heel goede reden om bang te zijn, want ze hadden hem op weg naar Golgotha in de steek gelaten en verraden. Hoe zou Jezus daarop reageren? Daar gaat het vanmorgen over. Het is een situatie die we - denkelijk - allemaal kennen. Je hebt iemand in de steek gelaten. Niet zomaar even in een vluchtig gesprek, maar op een ernstige manier. Terwijl die ander je woord, je steun, je hand of je hart hard nodig had, sprak je dat woord niet uit, stak je zelfs geen hand uit en sloot je je hart. Misschien deden ze dat, omdat zij dachten dat het toch een aflopende, een uitgemaakte zaak was.

Natuurlijk zie je elkaar niet terug. Doden horen immers niet uit hun graf op te staan! Maar dan hoor je dat het gevaar voorbij is, en dat een nieuwe confrontatie dreigt. Een nieuwe confrontatie na jouw verraad. Hoe zal de ander reageren?  De leerlingen wisten dat hij aan anderen verschenen was, maar niet aan hen.  Maria had Hem al mogen omhelzen. Reden te meer om zich zorgen te blijven maken. Daar zaten ze dan: nauwelijks licht in hun kamer, angstig luisterend naar ieder geluid. En dan komt Jezus binnen, Zijn eerste woorden die Hij uitspreekt zijn de woorden: Sjaloom – Vrede met jullie! Deze woorden van Jezus zeggen voldoende. Ze weten nu dat hun verraad vergeven is. Hun verraad heeft Jezus niet overweldigd. Dat zegt Hij ook: ‘zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend Ik u. opdat u mag leven’.

Thomas was er toen niet bij. De gebeurtenissen op Goede Vrijdag moeten ook bij hem als een schok door hem heen zijn gegaan. Thomas heeft in de Goede Week te veel gezien van deze wereld. Hij is daarom de man geworden van: ‘eerst zien en dan geloven!’ Wat is er toch met Jezus gebeurd, moet hij gedacht hebben. Als bijen op een honingpot waren duizenden mensen op Jezus afgekomen. Onze Jezus, die met zo’n geweldige overtuiging wist te spreken van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Die alles wat scheef en onrechtvaardig was bij name durfde noemen. Iemand die écht van mensen hield. Een mens die anderen weer op de been hielp, randfiguren weer terugbracht naar het centrum van het leven. Thomas herinnerde zich hoe vergeving kan doorwerken als een verkwikkende balsem. Mensen zonder naam hadden bij Hem weer een naam gekregen. Groot en machtig was die Jezus aan het worden. Zou hij ook in staat zijn om die gehate Romeinen het land uit te zetten? Thomas was daarvan overtuigd! Tenslotte zouden ook andere volkeren hem erkennen als de Messias, de gezalfde van God. Maar niets van dat alles. Hij had stank voor dank gekregen! Een onmenselijke en barbaarse kruisiging was zijn lot geworden. Zijn kleren waren verdobbeld, zijn zijde met een lans doorstoken. Jezus, waar ben je gebleven? Wat is erover van je idealen?

Deze Profeet Jezus moet toch sterven.

Jouw vonkende blik

was te gevaarlijk,

tergde de trots

van de zelfverzekerden.

Jouw ongereptheid is ondraaglijk

in deze wereld vol oorlog en corruptie.

Jouw handen die genezen op sabbat

moeten bloedig doorboord.

Jouw majesteit die niemand kan weerstaan

moet vernederd worden en gebroken.

Jouw jeugdige schoonheid

die vrouwen en kinderen aantrekt

moet worden ontluisterd.

Jouw stem die duizenden meesleept

moet worden gesmoord.

Dat is wat Thomas in de lijdensweek is bijgebleven. Hij was echt iemand die zegt dat hij eerst wat wil zien voordat hij geloofd wordt. Tot de dag van vandaag wordt hij nog steeds een ongelovige Thomas genoemd. Maar was Thomas wel zo ongelovig? En trouwens: is geloven en ongeloven zo vanzelfsprekend? Natuurlijk als we zien hoe Jezus daar staat in het hart van 't evangelie dan willen we wel geloven en geloven we het ook wel. Maar wat blijft erover van je geloof als harde levensvragen op je afkomen? Wat blijft erover van je geloof als je afscheid moet nemen van je geliefde, omdat die wegdrijft over de wateren van de dood?  Kun je in God blíjven geloven, als de liefde in je leven onbeantwoord blijft? Als het leven je onderuithaalt, dan merk je hoe klein en wankel ons geloof eigenlijk is. Dan voel je dat het leven niet klopt. Dat het geloof je te ruim zit, je niet meer past.

Elke week zingen we hier samen de geloofsbe­lijdenis. Maar wat blijft ervan over? Wat komt er van terecht? Ik geloof, ik geloof, maar als het erop aankomt, is mijn geloof één brok ongeloof, dat hulp van buiten behoeft. Waar komt die hulp vandaan? In z’n boek De duivel en de goede God laat de Franse filosoof Jean-Paul Sartre de hoofdpersoon zeggen: God ziet me niet - God hoort me niet - God kent me niet! Zie je de leegte niet: dat is God? De stilte, nooit eens antwoord krijgen, dat is God! God is de geweldige eenzaamheid onder mensen! Daarom: God bestaat niet! Er is geen hemel, er is geen hel. Er is alleen de aarde. Ja mens, wees maar blij. Huil desnoods van blijdschap. Alleluja, God bestaat niet. Alleen jij mens bestaat!’ aldus de filosoof Sartre. Dat zijn afschuwelijke woorden! Dat is ontzettend: de belijdenis van 't volstrekte ongeloof. Of zou er ín die woorden tóch iets zitten van een geweldige honger naar een levende God?

Want zonder God kan de wereld niet verder. Dan is het leven niet meer dan een doodlopende weg, waar je als mens te pletter loopt tegen de keiharde muur van de dood. Daarom: ik geloof, ik wil, ik moet, ik mag geloven, want God ís en Hij leeft. Het wordt steeds duidelijker dat ons geloof alleen maar overeind blijft, als er hulp komt van de andere kant, van God zelf. Want wij mensen kunnen banden breken, ons laten meeslepen door de slogans van deze tijd, maar God zorgt voor hen die geborgen zijn in de palm van zijn hand. Zo neemt God Thomas bij de hand. Thomas, een mens die tastend en zoekend, verdwaald en afwezig, en met pijn in zijn hart, geroepen heeft: het kan niet waar zijn! En Jezus laat Thomas in zijn ongeloof niet vallen, maar neemt hem bij de hand. En dan gebeurt het wonder: Thomas opent zijn hart en stamelt Mijn Heer en mijn God.

Het is de kortste geloofsbelijdenis die wij kennen. Thomas ziet Jezus niet alleen, maar herkent hem als de verrezen Heer. Thomas moet door een hel zijn gegaan. En in zijn naam roepen alle predikanten ons vanmorgen toe: blijf je toch verbazen over de wonden van de mensheid, het verdriet in zoveel mensenlevens, zoveel ziektes, gebroken liefdes, oorlog en honger.  Blijf maar kijken naar de littekens die voortdurend geslagen worden. Pas als je de pijn van deze wereld serieus neemt, kom je misschien zover dat je tastend en zoekend mét Thomas kunt stamelen: Mijn Heer en mijn God. Een kortere en kernachtiger geloofsbelijdenis kennen we niet. Thomas, beeld van de twijfelende en zoekende mens, die, als het erop aankomt, zijn hoofd en knieën weet te buigen voor "zijn Heer en zijn God."

Opstandingsverhalen zoals wij die nu lezen in de tijd van Pasen, zijn denk ik niet bedoeld om ons het bewijs te leveren dat Jezus écht verrezen is. Voor mensen die dat niet willen zien zijn deze verhalen niet overtuigend. Ze zijn bedoeld voor mensen die misschien heel diep in hun binnenste, nog een restje van geloof, nog een splintertje hoop hebben. Tegen die mensen zegt het evangelie van vandaag: verhaal: lieve mensen, jullie kunnen opstaan, naar buiten gaan, niet op de vlucht voor de pijn en de problemen die je beklemmen, maar proberen om je eigen pijn onder ogen te zien. Dat het zwaar is, weet het verhaal ook: zalig zij die niet zien en toch geloven! Als je helemaal niets meer ziet, als je het helemaal niet ziet zitten, des te moeilijker is het om erin te geloven.

Maar onmogelijk is het niet. Misschien kunnen we proberen de deuren bij ons zelf wat meer open te zetten, ons weer laten herinneren aan de krachten die in ons waren, zodat we weer even de geest krijgen. De Bijbel vertelt dat, toen de leerlingen weer naar buiten durfden komen, er grote menigten van mensen op hen zaten te wachten. Daar waren ze nu zo bang voor geweest! Door je eigen onmacht heen breken. Het lijkt niet te kunnen. Maar het brengt ons bij de gedachten: laten we ons geloof blijven uitspreken, in woorden en daden en in onze gedachten. En wat er ook gebeurt als je geloof kwijtraakt, weet dat God Zelf bij ons blijft. Zelfs in het uur van onze dood en ondergang, horen we de woorden van Jezus: ‘als je tijd gekomen is, laat je maar vallen, mensenkind, want ik ben voor je en achter je, boven en onder je, en zal je brengen hoe dan ook bij onze hemelse Vader.

Ambro Bakker s.m.a.

Deken van Amsterdam