Ouderkerk, 4 maart

Veertigdagentijd 3B in de Urbanus Ouderkerk, 4 maart 2018

Exodus 20, 1-3.7-8.12-17; 1 Kor. 1, 22-25; Joh. 2, 13-25

Beste parochianen,

Laat ik beginnen met wat ik zie als de hoofdboodschap uit de lezingen. Die luidt: het ware huis van God is daar waar wij zijn geboden onderhouden, zijn woorden doen, waar wij onszelf geven voor elkaar. Laat ik het toelichten aan de hand van drie vragen: 1. Wat bezielde Jezus nu eigenlijk toen hij het tempelplein schoonveegde? 2. Welke diepere betekenis hecht de evangelist Johannes hieraan, zo’n 60 jaar later? 3. Wat betekent dit alles voor ons huidige godsbeeld en ons idee van ware godsdienst?

Ten eerste, wat bezielde Jezus? Waarin zat zijn verontwaardiging precies? Was Hij geërgerd door de herrie van de markt en door de woekerwinsten die daar gemaakt werden? Wat heilig was, was handel geworden. Of had Hij vooral moeite met de wijze waarop de joodse tempelleiders God via offerrituelen naar hun hand wilden zetten? Godsdienst als een soort afkoopsysteem, waartegen al eerder geprotesteerd was, bijv. door de profeet Amos die God laat zeggen: “Ik haat, Ik verfoei uw feesten; uw vieringen kan ik niet luchten. De brandoffers die gij Mij brengt, behagen Mij niet. (…) Nee, het recht moet stromen als water, de gerechtigheid als een nooit uitdrogende beek”. Het lijkt erop alsof de godsdienst voor Jezus een lege formaliteit is geworden, alsof de ziel er uit is. Het is Jezus erom te doen de oorspronkelijk betekenis van de tempel te herstellen, als plaats om God te ontmoeten. Het gaat hem om wat echt heilig is in dit leven.

Dat zien we ook vaak als Hij in discussie is met Farizeeën en Schriftgeleerden: Hij zoekt altijd naar de oorspronkelijke bedoeling van de Thora, de woorden van God die ons voor onze bevrijding gegeven zijn. En daarmee staat Hij vaak kritisch tegenover de toen gangbare denkbeelden in en rond de tempel, inclusief de strikte interpretatie van allerlei wetten, waardoor menigeen werd buitengesloten van de gemeenschap. En vandaag horen we dat Hij de geldwisselaars naar buiten gooit, een messiaans gebaar volgens de profeet Zacharia (Zach. 14: 21). En voegt Johannes toe: Hij dreef ook de schapen en runderen naar buiten. Dit lijkt te duiden op kritiek op de oude tempelcultus en de ommekeer na de verwoesting van de tempel (jaar 70).

Jezus leeft vanuit de grondwet van de joodse bijbel, de woorden die Mozes ontving op de berg Sinaï. In die woorden staat bevrijding centraal. Het begint met: “Ik ben de Heer die u bevrijd heb uit Egypte”(eerste lezing). Als je echt leeft vanuit die overtuiging, dan zal je vanzelf zo leven dat je die God liefhebt. Je bent niet alleen gericht op je eigen geluk, maar je beseft dat die goddelijke bevrijding ook bedoeld is voor je medemensen.

Het is vanuit deze houding dat Jezus de mens voortdurend plaatst boven de handhaving van allerlei regels. En vanuit dezelfde houding kijkt Hij naar de godsdienst. De ware godsdienst is iets tussen mensen. Daar waar tussen mensen liefde, solidariteit en gerechtigheid heersen, daar is God. Daarmee komt de plaats van de tempel in een ander licht te staan. Ik herinner ook even aan het gesprek dat Jezus had met een Samaritaanse vrouw bij de bron van Jacob: ook hierin wordt de juiste locatie waar God wordt aanbeden gerelativeerd. De echte plaats van aanbidding is niet op de berg Garizim (waar de Samaritanen bidden) of in de tempel van Jeruzalem, maar daar waar mensen in Gods geest met elkaar omgaan.

Punt twee. Wat doet de evangelist Johannes jaren later met dit verhaal? De tempel is inmiddels verwoest. Onder de eerste christenen werd de tempel niet meer beschouwd als de plaats bij uitstek van Gods aanwezigheid. Bij Jezus’ dood was het voorhangsel van de tempel door midden gescheurd. Het ‘heilige der heiligen’ gold voortaan als een lege ruimte. In de ogen van de evangelist was de aanwezigheid van God bij uitstek zichtbaar in de gestalte van Jezus. Op Hem zijn de woorden van de psalmist van toepassing: “De ijver voor Uw huis zal mij verteren”. Zijn leven werd inderdaad verteerd door zijn liefde voor de mensen. Het eindigde op het kruis. De verrezen Jezus wordt voor de christenen de nieuwe tempel. Christus zelf wordt de ontmoetingsplaats met God. En de christengemeenschap gaat zich Lichaam van Christus noemen, de plek waar – als het goed is – Gods woorden worden gedaan en gestalte krijgen.

Daarmee zijn we, punt drie, terug bij onszelf. In hoeverre voelen ook wij ons zo bevrijd en geliefd, dat we van daaruit spontaan op weg gezet worden naar elkaar? Iemand die in een vreemde stad verbleef, vroeg aan een voorbijganger of hij misschien de weg naar de plaatselijke kerk kende. Ja zeker, zei de ander. Ik ga er net naartoe. En ze kwamen in een straat waar geen kerk te zien was. “Hier is het”, zei de vreemdeling. Ze gingen binnen in een huis waar zich de lokale voedselbank bevond. Dit is de kerk, de plaats van God, waar mensen naar elkaar omzien. Zoals er nog zoveel meer kerken zijn in deze stad.

Een vraag die paus Franciscus ons voorhoudt (EG), is: gaat er van onze kerken nog voldoende uit of zijn we teveel in onszelf opgesloten? Is er ook in ons samenzijn te veel loos ritueel geslopen? Proberen ook wij het soms op een akkoordje te gooien met God, en onze fouten en tekorten hier af te kopen? Onze bijeenkomsten mogen heilig genoemd worden in de mate dat wij hier geheeld worden in onze relaties met God en met elkaar. En dat geldt niet alleen op zondag. We moeten erop uit en de vreugde van het evangelie concreet maken in ons dagelijks leven.

God wil wonen in mensen die voor elkaar zo goed als God willen zijn. Die zo nodig een schuilplaats bieden aan elkaar. Die als een goede herder waken over de schapen en elkaar wijzen op groene weiden in een tijd waarin zoveel kaalslag heerst, als het gaat om het heilige. Het ware huis van God is daar waar wij zijn geboden onderhouden, zijn woorden doen, waar wij onszelf geven aan elkaar. Zo heeft Jezus ons dat voorgedaan. Hij die zijn leven prijsgaf voor zijn vrienden, werd een aanstoot voor de joden en een dwaasheid voor de heidenen, zegt Paulus. Maar na drie dagen werd Hij door God opgewekt als de nieuwe plaats van godontmoeting bij uitstek. Laten we verder op weg gaan naar Pasen, het feest van ook onze verrijzenis. Amen.

PLK