Overweging – Gedachtenis Titus Brandsma – 27 juli 2025
(Titus Brandsma gemeenschap, Amstelveen)
Het levenseinde van Titus Brandsma is indrukwekkend.
Door de nazi’s gearresteerd op 19 januari 1942, gevangen gezet en verhoord in de gevangenis van Schevingen (het zgn. ‘Oranjehotel’), ruim 6 weken in kamp Amersfoort verblijvend, en dan veroordeeld tot het concentratiekamp in Dachau (in het zuiden van Duitsland), waar hij via een verblijf van een maand in de gevangenis van Kleef, op 19 juni aankwam, en ruim 5 weken later op 26 juli 1942 stierf. Terwijl zijn lichaam steeds zwakker werd maakte hij veel indruk op zijn medegevangenen, door zijn mildheid, hartelijke betrokkenheid en diepe geloof.
Heel zijn leven was gedragen door een diep geloof. Geboren in een Fries, katholiek gezin, met een zeer devotionele moeder en een sociaal betrokken vader, op school gezeten bij de Franciscanen (de middelbare schooltijd bij hen op kostschool in Megen, bij Oss) en toen ingetreden bij de Karmelieten in Boxmeer.
Daarna als leraar op het seminarie van de Karmelieten in Oss, en vervolgens als hoogleraar ‘filosofie’ en ‘geschiedenis van de Nederlandse mystiek’ aan de pas opgerichte Katholieke Universiteit in Nijmegen. Van harte werkte hij mee aan de emancipatie van de Katholieken in die eerste decennia van de vorige eeuw, vanuit een diepe overtuiging dat ook katholieken een belangrijke positieve bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. Hij zette zich in voor het Katholieke onderwijs, op alle niveaus, voor de journalistiek, voor de Friese taal en cultuur, en voor ontelbaar vele werkgroepen en commissies.
Titus Brandsma heeft weinig over zichzelf gepraat, we weten in directe zin niet veel over zijn persoonlijke geloofsleven, maar uit de vele teksten die hij heeft nagelaten (wij bewaren in ons Karmelarchief alleen al ruim 5000 teksten van Titus van artikelen, lezingen, aantekeningen, kaarten, brieven die hij schreef ([1])) ... uit die vele teksten kunnen we toch wel veel opmaken over zijn geloofsleven.
Zo vind ik diverse passages uit de Diesrede die hij als rector magnificus van de Universiteit in Nijmegen in oktober 1932 hield zeer veelzeggend.
In die rede (die hij de titel gaf ‘Godsbegrip’) gaat hij in op de beelden die mensen in de loop van de eeuwen van God gehad hebben, van hemelse koning tot zorgzame herder, van heerser van het heelal tot het kwetsbare gezicht van het kind in de kribbe van Bethelem. Hij geeft aan dat die beelden van God altijd maar een aspect van God weergeven, en dat we daarom in iedere tijd opnieuw moeten zoeken naar een aspect, een beeld, van God waar mensen van die tijd een aanknopingspunt in kunnen vinden, om contact te maken met de werkelijkheid die God is, en die uiteindelijk alle begrip te boven gaat.
Hij doet dan een eigen voorstel. Hij zegt:
“Wij moeten allereerst God zien als de diepste grond van ons wezen,
verholen in het meest innerlijke van onze natuur.”
Nauw aansluitend bij de Karmelitaanse traditie, geeft hij aan, hoe we de werkelijkheid van God in onszelf op het spoor kunnen komen. Als we nadenken over wie en wat we zijn, stilstaan bij het feit dát we bestaan, dan kan er in die verwondering een besef opkomen, dat het leven überhaupt een wonder is (dat ons hart klopt, ons bloed stroomt), dat wij onszelf niet gemaakt hebben, maar dat het leven ons gegeven is, onvoorwaardelijk. En dan kan daar zelfs, bij diepere bezinning het besef uit ontstaan dat die diepste grond van ons leven, ons wél gezind is, dat die scheppende kracht, die ons vooraf gaat, liefdevol is en ons het leven gunt. Ieder van ons.
Dat maakt ook helder, waarom Titus Brandsma al in de jaren ’30 kon waarschuwen voor de opkomende Nationaal Socialistische ideeën in Duitsland, waarin hele bevolkingsgroepen het licht in de ogen niet wordt gegund. Waar over ‘übermenschen’ en ‘untermenschen’ gesproken kon worden, in plaats van gelijkwaardigheid van mensen, en diep respect voor iedere mens, hoe sterk of zwak ook, en tot welke cultuur, godsdienst of seksuele oriëntatie die persoon zich ook bekend. Vanuit onze goddelijke oorsprong gezien zijn we allemaal gelijkwaardig, kinderen van de ene God, en moeten we de kans krijgen ons leven in vrede en veiligheid te ontplooien.
Titus Brandsma vervolgt zijn voorstel in de Diesrede als volgt:
Wij moeten allereerst God zien als de diepste grond van ons wezen,
verholen in het meest innerlijke van onze natuur (…)
en Hem [vervolgens] niet slechts aanbidden in ons eigen wezen
maar evenzeer in alles, wat bestaat,
allereerst in de medemens,
maar dan ook in de natuur, in het heelal,
alom tegenwoordig en alles doordringend met het werk van zijn handen.
En die inwoning en inwerking van God
moet (…) zich [dan] in ons leven openbaren,
in onze woorden en daden tot uitdrukking komen,
uitstralen uit heel ons wezen en optreden.
En dit laatste is ook zo duidelijk geworden in het leven van Titus Brandsma.
In heel het proces van de zalig- en heiligverklaring van Titus zijn ontelbaar vele getuigenissen van mensen die die respectvolle, betrokken en het leven gunnende houding van Titus Brandsma ervaren hebben.
En terwijl hij in gevangenschap, in de concentratiekampen, lichamelijk steeds zwakker werd, en uiterlijk alle franje en prestige verloor, lijkt hij wel steeds doorschijnender geworden te zijn, tot op God.
Tot in zijn contact met de bewakers die hem in elkaar sloegen toe, wist hij zijn geloof in de goedheid van God, en de wezenlijke goedheid van de mens (gelegen in zijn door God geschapen wezen) te bewaren en uit te dragen.
Bidden we dat de heilige Titus Brandsma
ons mag blijven inspireren,
om te zoeken naar die diepe verbondenheid
met de levende, liefdevolle God,
die te vinden is in onszelf, de medemens en heel de schepping,
om van daaruit onze bijdrage te leveren
aan een wereld waar vrede en gerechtigheid heerst,
en iedere mens zich geliefd en gerespecteerd weet.
Amen.
zr. Marieke Rijpkema o.carm.
(Titus Brandsma Memorial, Nijmegen)
([1]) Deze worden nu stuk voor stuk gedigitaliseerd en openbaar worden gemaakt, zie: www.titusbrandsmateksten.nl/writings